|
Arnold Berenbroek Nijmegen, 22 augustus 1923 - Vlakbij Nijmegen, 19 augustus 2011 |
|
Deze tekst heb ik uitgesproken op ons afscheid van Opa. Dit heb ik gedaan namens alle kleinkinderen van Oma en Opa, maar ik heb het stuk geschreven vanuit mijn eigen perspectief.
Onze Opa
Heel veel van mijn eerste herinneringen spelen zich af in Oma en Opa’s huis aan de Steenbokstraat. Elke week was ik daar een dagje. Vrij onmiddellijk na aankomst zwaaide ik Opa uit, want hij ging naar de Kema. De witte Jetta - volgens mij heeft hij alleen maar witte Jetta’s gehad - werd ritueel met Oma uit de garage gelaten, knotste achteruit de straat op, - Opa zwaaide - en vertrok. Of Opa perste zich in de rode Daf van mevrouw Paula. Diezelfde auto werd ‘s avonds weer voorzichtig in de garage geparkeerd, totdat het hangende, rode blokje tegen de voorruit tikte. - Die keurige garage met het zorgvuldig geordende gereedschap, de platte tuinslang en die typische benzineachtige lucht. Etenstijd was een serieus moment: servet om, niet wachten, Maggi in de soep voor de eerste hap en opperste concentratie op Oma’s culinaire hoogstandjes - vooral op het vlees. Daarna viel Opa met een plof in de grote stoel om de krant minutieus te spellen. Opa deed alles heel grondig. Het vlees werd ‘s zaterdags speciaal geïmporteerd uit Kranenburg, net als de Hochzeitsuppe en de Linsentopf mit Speck. Daarna kwamen Oma en Opa steevast op de koffie bij ons in Beek. Of we gingen zwemmen in Kranenburg. Terwijl wij speelden, plonsden en lachten, zwom Opa onverstoorbaar het aantal baantjes dat hij te voren met zichzelf had afgesproken. Op de terugweg, in de witte Jetta, remde Opa gezagsgetrouw met een klap van 70 naar 50 waar het bord dat aangaf, om met een stoot weer op te trekken bij het bord 70. Voor drempels remde hij nooit. Opa was altijd zo trots op zijn kleinkinderen. Wat waren wij toch allemaal mooi, knap, wonderlijk en intelligent! “Het zijn de genen.” Als het kon, dan was hij er: veterstrikdiploma, rapport, zwemdiploma, schaakdiploma, schooldiploma, Vierdaagsekruis, rijbewijs, bul, verjaardag, Palmpasen, Pasen, Sinterklaas, Kerstmis en in een te lange periode er tussen werd voor ons allemaal zomaar een grote tafel geboekt in een restaurant. Vaak het Waldschlößchen, want daar serveerde men goed - en veel - vlees. Van zijn afscheid bij de Kema herinner ik me vooral hoe Opa werd geroemd om zijn grondigheid, zijn eerlijkheid en zijn hoffelijkheid. Na zijn pensioen is hij ook niet meteen gestopt met actief zijn. Beneden in de huiskamer kon je horen hoe de vloer kraakte als hij op zijn trouwe IBM talloze belastingaangiftes deed met de belastingdiskette of brieven “tijpte”voor de KBO op het blauwe scherm van Wordperfect 5.1. Onlangs sprak ik nog met Jan Smit, die samen met mijn oudoom Lambert, Oma en Opa veel heeft meegemaakt bij heemkundekring De Duffelt. Hij had het over de grote grondigheid waarmee Opa een reisje kon organiseren; van te voren had Opa iedereen zorgvuldig geïnstrueerd en hij had een welhaast wetenschappelijk onderzoek gedaan om het perfecte diner te verzorgen. Ik vermoed vooral naar het vlees. Geleidelijk aan moest Opa meer voor Oma zorgen. In die tijd fietste ik zeer geregeld ‘s avonds na mijn werk langs om te kijken of de gordijnen dicht waren, het licht aan en hoe het moreel was. Per ongeluk heb ik zo wel eens bespied hoe teder en lief Opa probeerde te zijn voor Oma. Voor mij bevestigde dit dat Opa van niemand meer heeft gehouden dan van Oma. Dat zij uit huis moest gaan is voor Opa zichtbaar de grootste klap van zijn leven geweest. Vrijwel elke dag is hij bij Oma geweest en zo heeft hij jarenlang tot het vaste beeld gehoord bij Joachim en Anna. Dat gebeurde, fysiek gezien, dikwijls puur op wilskracht. Annemieke en ik hebben hem wel eens thuis gebracht, omdat we hem te voet aangetroffen langs de Groesbeekseweg. Hij uitte vaak zijn verdriet dat hij zijn mooie flat in het Oud Borgherengasthuis niet meer heeft kunnen delen met Oma. Wel was hij blij dat hij de Sint Steven kon zien vanuit zijn raam. Opa was trots om Nijmegenaar te zijn. Bij oude foto’s die ik via Numaga meebracht vertelde hij me veel over zijn verleden en over het oude Nijmegen. En eerlijk, hoffelijk en voorkomend als hij was, heeft hij nogal eens een dame het hoofd op hol gebracht in het tehuis. Als hij zich weer eens omringd wist door zijn kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen dan wees hij bewust naar iedereen, stuk voor stuk. Hij leek zich onze namen steeds meer in te prenten om niets te missen. Maar goed, ga er maar aan staan als je beide handen en voeten nodig hebt om al je nazaten te tellen. Steeds vaker was het steeds meer op voor Opa. Op zijn laatste dag keek ik naar de zonsopkomst vanuit zijn kamertje in Waelwick in Ewijk. Aan de horizon zag ik, heel klein, de Sint Steven. Het laatste dat ik tegen Opa heb gezegd, was hetzelfde als waarmee ik hem een maandje eerder in het Canisius Wilhelmina-ziekenhuis heb kunnen kalmeren: “Je hebt goed je best gedaan. We zijn allemaal goed terecht gekomen en we zijn gelukkig en tevreden. Ga maar lekker rusten.”
|
|
|
In 2006 stond Opa nog
in De Gelderlander: |