|
Ursula Emma Berenbroek-Kautzner Gelsenkirchen, 3 februari 1928 - Nijmegen, 28 juli 2006 |
|
Deze tekst heb ik uitgesproken op ons afscheid van Oma. Dit heb ik gedaan namens alle kleinkinderen van Oma en Opa, maar ik heb het stuk geschreven vanuit mijn eigen perspectief. Onze Oma Als hemel, hel en vagevuur bestaan, zou mijn Oma direct naar de hemel gaan. Nooit heb ik iemand gezien met een witter zieltje dan zij. Streken heeft ze heus gehad, maar die zijn nooit erger geweest dan kattekwaad; ze gingen nooit ten koste van enig persoon. Oma was een echte Oma: je werd verwend. Tot in mijn kleutertijd bivakkeerde ik – meen ik - wekelijks in de Steenbokstraat, waar ik rustig een dagje meedraaide terwijl Opa werkte op de Kema. Later ging dat bij Sander net zo en ook Linda is daar heel veel geweest vanaf de begindagen van Interhobby. Nu herinner ik mij de gang naar Super Wieleman, naar de bakker, de grote en de kleine molen, maar ook de speelgoedgarage, de plastic blokken, de rode besjes, allerhande Kuchen. Of hoe ik Oma observeerde in de keuken als ze kookte of streek. Dan zat ik met mijn billen op het warme plekje op de grond bij de deur en Oma neuriede mee met de WDR op haar bruine radiootje. Lijn 6 reed nog via Ubbergen van Beek naar Nijmegen en we zaten samen achterin. Of Oma reed zelf in de witte Jetta, rechtop gezeten, wat voorover en ze drückte auf die Tube. Op
woensdagmiddagen haalde Oma Maaike, Roelant en mij op van de basisschool en
dan liepen we via de bakker naar huis. Na de verplichte boterhammen kregen
we de gebakjes die we zelf hadden uitgezocht, om die elke keer op een andere
plek in huis op te peuzelen. “Dat doet de mens goed.” Later heb ik veel met Oma samen op woensdagmiddagen in het archief gezeten van Heemkundekring De Duffelt. Eerst op de Martinusschool in Millingen, later in de – toen – nieuwe bieb van Beek. Dit is een vaste prik geweest totdat Oma ermee stopte. Ik was toen 15, denk ik. Mijn voorliefde voor oude landkaarten, prenten en documenten heeft mij nooit meer verlaten. Haast elke zaterdag kwamen Oma en Opa bij ons in Beek, nadat zij hadden gewinkeld in Kranenburg. ’s Middags kwam Linda dan naar de Steenbokstraat om spelletjes te doen met Oma. Zo heeft onze Oma altijd erg genoten van al hun kleinkinderen, jong en oud. En wij zochten hen op in Nijmegen met onze verhalen, rapporten, Vierdaagsekruisjes, diploma’s en dergelijke zaken. Het was zo vanzelfsprekend dat wij dat allemaal deelden dat het nog enige tijd duurde voordat we doorhadden dat Oma veranderde. Ze werd stiller, herhaalde vaker dezelfde geflügelte Worte en werd verstrooid. Linda las Oma voor in plaats van andersom. De Steenbokstraat werd toch wel steeds minder sprankelend. In de tijd dat ze definitief ging verhuizen naar Joachim & Anna woonde ik samen met Annemieke in de Hazenkamp. Vrijwel elke dag ben ik even langs gefietst of alles in de Steenbokstraat nog enigszins in orde was. Bij Joachim & Anna heb ik wekelijks pret gehad met wie Oma toen was. Eerst hebben we Weens gewalst op ‘Die schöne Blaue Donau’, totdat het schunkeln werd en daarna zittend meefluiten. Eerst nog lopen daarna in haar rolstoel naar de geitjes op het binnencour, of naar de recreatiezaal beneden. Totdat Oma enkel verward staarde naar haar rimpelige, verweerde handen, om vervolgens de mijne te pakken om die te bestuderen. “Grootje,” zei ik dan. “Kleintje,” antwoordde zij dan in een reflex. Als ik zei: “Schalke”, zei zij: “Null vier.” Het contact verbrak. Juist op de dag dat Roelant en ik in Gelsenkirchen waren voor ons geplande bezoek aan der S04 en Oma & Opa-hotspots, leek Oma op haar einde af te stevenen. Roelant en ik hebben in een opwelling een steen uit de Richardstraße meegenomen om die onder haar voeten op het bed te leggen. Zo had ze nog één keer haar geboortegrond onder zich. Die Stadt der tausend Feuer. Een stuk uit de Kohlenpott, net zoals zij zelf. Ik heb haar door de nacht zien heenkomen. ’s Ochtends is zij stil gegaan. Opgelucht ben ik, dat het nog relatief gauw ging. Oma zei dat als je huilt op een begrafenis, je huilt om jezelf, niet om de overledene. Daarom glimlach ik. Dankbaar ben ik, haar männcken, voor alles wat ik met mijn Oma heb beleefd. Je eert mijn, onze Oma het beste door te leven en door goed te doen, zoals zij. “Alles hat ein Ende, nur die Wurst hat zwei,” zei ze, maar voor mijn gevoel had zij ook twee keer een einde. Oma zit écht in de hemel, dat houd ik mijzelf voor. Ze is nu geen engel geworden, dat was ze al. |
|