Aanvulling  
 
Nijmegenaar op pelgrimstocht
Dirck van Bronckhorst-Batenburg naar Jeruzalem in 1450

Aanvullingen op mijn artikel in het Nijmeegs Katern 21
speciale uitgave

door Martijn Wijngaards

 
 
  In het Antwerps liedboek (uit 1544) staat een liedje over drie edellieden uit Gelre die een bedevaart naar Jeruzalem ondernemen in het jubeljaar 1450. Het gezang, nummer 109, is monotoon en vertelt hoe hertog Johan I van Kleef (1419 – 1481, zie hier links), graaf Jacob I van Horne (1426-1488) en de Nijmegenaar jonker Dirck (Diederik) van Bronckhorst-Batenburg. In mijn artikel probeer ik vooral te vertellen hoe de tocht is verlopen en wie deze jonker Dirck nu eigenlijk is geweest.

De heren zijn naar Jeruzalem gegaan om zich te laten slaan tot ridder in de Orde van het Heilig Graf. Dat is een prestigieuze titel in die tijd, dus voor zo'n reis hebben de heren graag enige tijd voor over. Bovendien reizen jonker Dirck en de andere twee edellieden terug via Rome, om ook nog vergeving te krijgen voor al hun zonden.

Niet alleen in het bovenstaande liedje is de pelgrimage van de 'drie lantsheeren' bewaard gebleven. Ook Gert van der Schueren, de hofsecretaris van hertog Johan I van Kleef, heeft een verslag gedaan van de reis in zijn Chronik von Cleve und Mark uit 1474. Naar Middeleeuwse maatstaven is deze bedevaartstocht dus vrij goed gedocumenteerd.

 

Wilt u het hele artikel lezen? Neem dan contact op met de historische vereniging Numaga.

 
 
Hoe klinkt het liedje?

Van het liedje Van de drie lantsheeren zijn twee verschillende zangwijzen bekend. De melodie ervan staat niet in het Antwerps liedboek, maar ze wordt in diverse andere liedbundels genoemd als wijsaanduiding bij een ander liedje. Zo heeft bijvoorbeeld de bekende prediker Johannes Brugman de wijs gebruikt voor een religieus liedje van hemzelf.

Een iets andere melodie, maar wel een die verwijst naar dit lied, staat in het Liedboek van Anna van Keulen uit ongeveer 1500.

 

Het Camerata Trajectina uit Utrecht heeft een opname gemaakt van het historielied. Deze staat op de dubbel-cd die hoort bij de grote uitgave van het Antwerps liedboek uit 2004.

Klik hier om het geluidsfragment (eerste en laatste couplet) te horen.

 

 
 

Een oud liedje

Met plezier willen wij zingen
- Mijn mooie liefje hier bij me -
Wat drie edele heren overkwam
Geboren in het Nederrijnse
Kleef, Horne en Batenburg,
- Hun namen zijn zeer bekend
Met dit lied willen wij ze prijzen –
Zij gingen wandelen door het land

Die heren zijn uitgereden
Al in dat jubeljaar
Zij wilden niet wederkeren
Voordat zij tot ridder waren geslagen
Zij arriveerden in Venetië
Daar maakten zij een afspraak
Dat zij niet zouden wederkeren
Zonder het Heilig Graf bezocht te hebben

Zij namen daar elkaar
Al bij de blanke hand
Wij rijden nu tesamen
Door Italië, het gouden land
Zij zagen Rome in ’t zuidwesten
- Al in dit jubeljaar -
Maar daar waren zij ongewone gasten
Zij verlangden in Jeruzalem te zijn.

Eén der heren sprak de stuurman toe
Houd uw anker goed in de gaten
Breng uw schip goed doordacht in gereedheid
Let goed op uw mast
Want u hebt drie edelen aan boord
Geld speelt voor ons geen rol
Zorg dat uw schip geen schade heeft
En dat ons niets zal gebeuren.

(De schipper zegt:)
Het schip, het roer, de voorraad,
Met alles is het goed gesteld
Nu vaar ik weg van het land
Dit alles met Gods bescherming
Voor storm en ook voor golven
En de onstuimige zee
(De edellieden antwoorden:)
Vol goede moed wagen wij ons erop
Dat geldt voor ons alledrie.

Zij hadden de wind mee
En ook de golven
In Jeruzalem, weer aan land,
Zagen zij Salomons tempel
Zij betraden daar Jeruzalem
Al in het Heilige Land
Zij betraden het Heilige Graf
Waar Maria ooit zo oprecht op zat (om Jezus’ lichaam te zalven)

(Heer Arnulf van Créqui zegt:)
Heren, u bent hierom gekomen
dat gij tot ridder geslagen wil zijn
Toon uw volk dat u het beschermt
En zorg dat de koopman veilig kan rondreizen
En hanteer het zwaard rechtvaardig
En bescherm weduwen en wezen
Dan handelt u met goed recht
Nu bent u tot de adelstand verheven.

 

Een oudt liedeken

Met luste willen wi singhen
Schoon lief al bider hant
Van drie lantsheeren dingen
Geboren uut nederlant
Cleve Hoorne ende Batenborch
Haer namen zijn wel becant
Met sanghe willen wijse prijsen
Gaen wandelen al door dat lant

Die heeren zijn uut ghetogen
Al in dat gulden iaer
Si en wouden niet weder keeren
Si en waren ridder geslaghen
Te Venegien dat si quamen
Si maecten een verdrach
Si en wouden niet weder keeren
Si en besochten dat heylige graf

Si namen daer malcander
Al bider witser hant
Wi rijden nu te samen
Al door dat gulden lant

Si saghen int suytwesten

Al dat vergulden iaer
Mer si waren vreemde gasten
Te Jerusalem was haer begaer

Die een heere sprack den stierman toe
Hout uwen ancker al vast
Bewaert u schip met staden
Siet wel tot uwen mast
Ghi hebt drie heeren gheladen
Het en is om gheen ghelt te doen
Bewaer u schip van schaden
Dat ons gheen ghebrec en coem


Schip roer ende provanden
Alle dinck is wel ghestelt
Nu stieret vanden landen
Al in des gods gewelt
Voor wint ende ooc voor waghe
dat meyr is onghewelt
Wi willen vrolijck waghen
Het ghelt ons even dier

Si seylden voor den wint
Ende ooc al voor die waghen
Te Jerusalem aen dat lant

Salomons tempel dat si saghen
Si traden te Jerusalem

Al op dat heylich lant
Si traden op dat heylich graf

Daer maria so innich op lach



Ghi heeren sidy daer om comen
dat ghi ridders wilt gheslaghen zijn
Hout uwe scharen baren
Ende laet den coopman varen
Ende voert dat sweert met recht
Ende beschermt weduwen ende weesen
So voert ghi een goet recht
Nu hebt ghi edelheyt ghecreghen
 

 
KB Hs. 75 H36

In het artikel schrijf ik over een handschrift dat nu in de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag ligt. Het is gemaakt door een 'priester die sinen properen naem van oetmoedigheit hier niet noemen en wil', maar die - getuige de tekst - in het gevolg zat van Arnold van Egmond, hertog van Gelre, toe die dezelfde tocht ging maken in het kielzog van de drie lantsheeren. Hieronder geef ik u een kijkje in het manuscript. Hiernaast ziet u de grootte ervan (+17 cm).

 
 
 
  Is Dirck van Bronkhorst-Batenburg ook de stichter van de Heilig Grafkapel in de St. Stevenskerk in Nijmegen?

Nee. Deze is hoogstwaarschijnlijk aangebouwd in opdracht van boekverkoper Daniël Tryssens in 1565-1566. In de fraaie kapel staat zijn naam op een muurschildering, vlakbij afbeeldingen van onder andere Jozef van Arimathea en Nicodemus staan (ook bekend uit verhalen omtrent de Heilige Graal).

 

 

(Zie: Begheyn, P. en E.F.M.Peters, Gheprint te Nymeghen: Nijmeegse drukkers, uitgevers en boekverkopers 1479-1794. Nijmegen 1990, pp. 87-88 en het - onuitgegeven - profielwerkstuk van Charlotte Lever en Eva Peters van het Canisius College.)

 
Verantwoording
In de hertaling van het oude liedje wijk ik op enkele punten iets af van de oplossingen die worden gegeven in de fraaie uitgave van het Antwerps liedboek uit 2004 (Dieuwke van der Poel e.a.). Vragen en suggesties krijg ik graag. Mijn studie is een relatief snelle, eerste overzicht geweest met als doel om mensen te motiveren zich in dit onderwerp te verdiepen. Eenieder die dat wil doen, voele zich vrij eraan te beginnen. Ook deze mensen help ik graag op weg.

Aanbevolen literatuur:
Poel, D. van der (e.a.), Antwerps liedboek. Amsterdam 2004. Pp. 246-267. (Met dubbel-cd van het Camerata Trajectina.)

Bergevoet, M., 'Dirk I van Bronckhorst-Batenburg op bedevaart' In: Kontaktblad van de historische vereniging 'Tweestromenland' nummer 19. Wijchen 1974. Pp. 36-46.

Hooft, B.H. van 't, Honderd jaar Gelderse geschiedenis in historieliederen. Arnhem 1948. Pp. 34-45 en p.259. (= bovenstaande afbeelding zangwijzen.)

Habets, J., 'Eene pelgrimgsreis naar het Heilig Land in 1450.' In: Publications de la Société Historique et Archéologique dans le Duché de Limbourg. Ruremonde 1872.

Tross, L., Gert's van der Schüren Chronik von Cleve und Mark. Hamm 1824.