Achtergrondinformatie  
 
Identiteit en tijdsidee
Over de bard, de minstreel, de troubadour, de hofdichter en de historisch letterkundige

door Martijn Wijngaards
 
 
  Eeuwenlang werd kennis en wijsheid enkel mondeling doorgegeven. Om er voor te zorgen dat dit met alle verhalen, muziek en poëzie op de juiste wijze gebeurde, werd,  in de Keltische traditie, in elke stam een persoon aangewezen die waakte voor het voortbestaan van de geschiedenis, dus de identiteit van deze stam. Mogelijk hebben ook Germaanse en Noorse stammen een dergelijke figuur in de stam gehad. Zo'n bard, skjald of een dergelijk iemand stond dan ook - naar verluidt - hoog in aanzien.

De historisch letterkundige zou tegenwoordig een dergelijke taak als bard moeten vervullen.

Geschiedenis is een tijd lang een ondergeschoven kindje geweest. De hang naar historie begint steeds meer terug te komen. Niet naar feiten en jaartallen, wel naar oude verhalen. Die geven ons inzicht in de mens van vroeger, dus eigenlijk ook in onszelf. Misschien moeten we weer eens ouderwets leren van het verleden. Juist in deze tijd, waarin steeds opnieuw wordt geschreeuwd over wat onze nationale of Europese identiteit is, lijkt mij dit niet onbelangrijk. Je identiteit wordt bepaald door je verleden en hoe je daarmee bent omgegaan; vooral dat maakt literatuur.

De begrippen bard, minstreel, troubadour en hofdichter worden vaak op een grote hoop gegooid. Ik zal hier proberen om de verschillen duidelijk te maken.

 

 
Een bard wordt over het algemeen gezien als Keltisch verschijnsel, al zullen meerdere culturen dichters en zangers hebben gehad (zo kennen Germaanse en Scandinavische volkeren de skald). Romeinse geschiedschrijvers spreken in elk geval al wel over dit soort mensen in Keltische streken.

Naar verluid staat de bard hoog in aanzien bij zijn stam, want hij is degene die de kennis en wijsheid van de stam moet waarborgen. Hiermee is de bard een van de belangrijkste personen van zijn volk.

De bard heeft meerdere taken. Zo moet hij ook zorgen voor het moreel van zijn mensen, door liederen te zingen over dappere daden van voorvaderen. Zeker in oorlogstijd is zo iemand erg belangrijk.

Bovendien schrijft de bard ook nieuwe liederen. Dat niet alle bards een grote vrijheid van expressie hebben zal duidelijk zijn: je bent immers altijd afhankelijk van de wil van de heersende mensen. (Anderzijds is vrijheid van individuele expressie ook iets wat wij pas de laatste paar eeuwen pas echt op prijs stellen. Vroeger was dat veel minder een issue.) Kortom: jouw aanzien en vrijheid als bard hangt af van de mensen om je heen.

De bekendste Keltische (Gallische) bard is Assurancetourix uit de strips van Asterix. Deze man voert alle taken uit die de bard volgens de overlevering moet doen. Hij is alleen niet erg populair onder de plaatselijke bevolking; niet zelden is hij het slachtoffer van geweldplegingen of kneveling.
 

 

De bard

 

 

De minstreel

(Waar is zijn harp?)

  Heel wat minder hoog in aanzien staat de minstreel. Het woord betekent van oorsprong ook 'kleine dienaar'. Dat geeft precies goed weer wat zijn plaats is: gewoon tussen de mensen die koken en bedienen. De belangrijkste taak: het entertainen van de meester van het huis.

De verhalen en liederen die worden gevraagd zijn betrekkelijk eenvoudig en gemakkelijk te consumeren. Het is mogelijk dat de heer des huizes vraagt om allerlei platvloerse liederen over scheten laten, waarbij de minstreel in kwestie rijkelijk wordt beloond als hij ook geluid kan produceren uit andere lichaamsopeningen dan de mond.

Liever horen wij dat de minstreel grote liederen zingt over helden die machtige daden verrichten. Maar ook deze verhalen zijn naar de huidige maatstaf nog wel erg eenvoudig. Eigenlijk spelen alleen stoere mannen hierin een hoofdrol en het belangrijkste ingrediënt zijn de buitengewoon plastische en bloederige beschrijvingen van gevechtshandelingen.

Veel van deze chansons de geste (verhalen van grote daden) kennen we nog. De bekendste zijn die over Karel de Grote, zoals Karel ende Elegast of het Roelantslied. Als je zo'n verhaal uit je hoofd kent en je heer een avond kunt vermaken, dan heb je het betrekkelijk goed aan zijn hof. Het is een kwestie van talent.

Maar niet iedere minstreel heeft zoveel geluk. Minstrelen die niet erg goed zijn in het vertellen van verhalen, maar die wel veel geluid kunnen maken met blaasinstrumenten doen nogal eens dienst op de wachttoren. Bovendien kan ook de minstreel kan worden ingezet om het moreel van de soldaten hoog te houden bij veldslagen of dagmarsen.
 

 
Een beroemd voorbeeld van zo'n minstreel die het moreel weet hoog te houden is Taillefer die - naar verluidt - bij de Slag van Hastings (1066) een heldendaad verricht. Dit gebeurt als 's morgens de legers van de Angelsaksen (Engelsen) tegenover die van de Normandiërs en Franken staan - onder leiding van Willem de Veroveraar. De soldaten van beide partijen kijken elkaar bewegingloos aan, totdat plotseling een Normandische minstreel uit de linies naar voren rijdt en voor de Angelsaksen jongleert met zijn zwaard en speer. Ze lachen, totdat de speer verdwijnt in het lichaam van een van hun soldaten: dit is het startsein voor de grote veldslag, waarin Willem Engeland verovert.

Opvallend genoeg staat deze minstreel Taillefer niet op het Tapijt van Bayeux. Zijn daden staan echter wel beschreven in verschillende boeken die van redelijk vlak na die tijd zijn, zoals de Carmen de belle Hastingensi van Guido, de bischop van Amiens (vers 93144), de Historia Anglorum door Hendrik van Huntingdon en Roman de Rou van Robert Wace.

Ook noemt Winston Churchill deze minstreel in zijn History of the English-Speaking Peoples.
 

 

Taillefer

 
De troubadour

  Het beeld dat Lenny Kuhr ons geeft van de troubadour is een eigenlijk een lied over een minstreel. Troubadour stamt van het woord 'trobar' en dat is Occitaans voor 'vinden'. Deze mensen specialiseren zichzelf in het schrijven van een nieuw soort gedichten, verhalen en liederen.

Het culturele klimaat is er ook naar rond 1150. Waarschijnlijk is dit onder invloed geweest van de Arabische literatuur die door kruisvaarders worden meegenomen of omdat in het Zuid-Franse Occitanïe überhaupt vruchtbaar is voor nieuwe ideeën.

In Poitiers ontstaan aan het hof van Willem IX van Aquitanië allerhande verhalen waarin het niet meer gaat om de mannelijkheid van de held enkel te bewijzen door het vertonen van veel kracht in de strijd, maar ook door het maken van liefdespoëzie en van de trouw aan een jonkvrouw. Sterker nog, ineens spelen vrouwen een rol in de literatuur. Waar zij voorheen slechts dienst deden als bezit of als krijgsbuit (bijvoorbeeldin Karel ende Elegast wordt een vrouw geslagen met een ijzeren handschoen), is de vrouw nu het opperste subject van aanbidding.

Deze literatuur noemen wij hoofs (dus verhalen van vóór deze tijd heten voorhoofs) en ze zijn niet alleen spannend, maar ook tamelijk ondeugend en opvoedend tegelijk. Er is overigens ook een theorie dat de hoofse literatuur ook via Noord-Europa is ontstaan. Zo zou vanuit de driehoek Aken-Luik-Maastricht Hendrik van Veldeke een belangrijke rol hebben gespeeld.

 

 
Een hoofse ridder moet aan allerlei eisen voldoen. Natuurlijk is hij onverschrokken en bovenmenselijk sterk in de strijd, maar de ridder moet ook beleefd zijn tegen zijn vijand. Ligt deze bijvoorbeeld op de grond, dan raap je hem eerst op en vecht je door. Verliest hij zijn zwaard, dan geef je het wapen terug en iemand van achteren aanvallen is al helemaal uit den boze!

Daarnaast is het de bedoeling dat je als ridder strijdt in naam van een vrouw. Deze blijf je eeuwig trouw, dus je kijkt ook niet meer om naar iemand anders.

Veel hoofse verhalen doen nog steeds de ronde. Denk alleen al aan Tristan en Isolde, aan Koning Arthur, maar ook aan Amadis van Gaul. Deze werken hebben zeer vaak gediend als propagandamateriaal, waaruit jonge mensen moeten leren hoe ze zich hoffelijk dienen te gedragen. Het is wel grappig om te weten dat vrijwel de meeste hoofse romans gaan over buitenechtelijke relaties.

  Hoofse ridders

 
Volkstaal

  Een andere bijzonderheid is dat in Occitanië verreweg de meeste literaire werken worden opgeschreven in de volkstaal (= eigen taal). Dit gebeurt daarvoor in de regel niet en wát wordt opgetekend staat in het latijn op perkament. Als een lopend vuurtje gaat dit gebruik door Europa en aan allerlei hoven ontstaat een creatieve cultuur naar Occitaans voorbeeld.

Waar aan het ene hof de troubadour geldt als producent van propaganda, of verteller van opvoedkundig materiaal, ontstaat aan enkele andere hoven (zoals dat in Poitiers) een cultuur waarin het gaat om de kunst in het algemeen. Allerlei vertelvormen verschijnen en troubadours dagen elkaar zelfs uit in dichtwedstrijden waarin ze elkaar te slim af proberen te zijn met taal.

Tegenwoordig gebeurt zoiets ook nog bij rap battles, maar of er een verschil is in kwaliteit tussen toen en nu weet ik niet.

 
Zo ontstaat er weer een nieuwe specialist: de hofdichter. Deze mensen schrijven lange, goede en nog steeds populaire verhalen. De kleindochter van Willem IX van Aquitanië, Eleonora, heeft zo voor enige tijd de beroemde Chrétien de Troyes in dienst. Hij schrijft niet alleen de romans over Koning Arthur zoals wij ze nu nog kennen, maar later schrijft hij het eerste boek waarin de Graal voorkomt: Perceval li Gallois ou il conte del Graal, in opdracht van Filips van Elzas, graaf van Vlaanderen.

Andere bekende hofdichters zijn Wolfram von Eschenbach, Hendrik van Veldeke, Dirc van Delft, Dirc Potter,  en Geoffrey Chaucer.

Later in de Middeleeuwen wordt de plaats van de hofdichters meer ingenomen door schrijvers uit de stad. Rijke handelaars permitteren zich dure handschriften en nieuwe verhalen. Uit deze tijd komen bekende namen als Jacob van Maerlant en Jan van Boendale. De hofdichter verdwijnt dan ook langzaam.

Aan het einde van de Middeleeuwen nemen bijvoorbeeld de rederijkers allerlei kunstvormen over, om er weer vele nieuwe aan toe te voegen.

  De hofdichter

 
Met de invoering van de boekdrukkunst gaan mensen steeds meer voor zichzelf lezen. Het aanhoren van verhalen in gezelschap speelt in afnemende mate een belangrijke rol bij het consumeren van verhalen. Boeken worden steeds betaalbaarder voor verschillende groepen van de bevolking. Zo worden er voor welvarende mensen kostbare, mooi uitgevoerde drukken vervaardigd, terwijl voor de minder draagkrachtigen eenvoudigere uitvoeringen worden gemaakt.

Uitgevers beogen ook een bepaald publiek met hun boeken, maar wat blijft vasstaan is dat er door de eeuwen heen nog steeds een markt bestaat voor verhalen en daarop gebaseerde gedichten of liederen met middeleeuwse vertelstof. Wie goed verdient, kan zich natuurlijk ook mooiere uitgaven permitteren. Echter, ook mensen met een kleinere beurs besteden nu en dan een klein bedrag aan een prent of een klein boekje.
(Zo heeft de Leidse boekwetenschapper Bert van Selm al eens uitgevonden dat een boek omtrent Amadis van Gaul rond 1590 rond de 14 stuivers kon kosten. Vergelijk dit met het dagloon van een ongeschoolde arbeider in het Amsterdam van die tijd: dat staat ongeveer op 10 stuivers. Voor een brood moet met men al ongeveer 8 stuivers neertellen. Voor een mooie uitgave moet je dus sparen, want een mens gebruikt niet alleen brood.)

Aan het einde van de 18de eeuw ontstaat op allerlei plaatsen in Europa een hernieuwde interesse voor de bard, onder invloed van de Romantiek. Zo wordt een beeld geschapen van de ronddolende, in vrijheid levende kunstenaar die van plaats naar plaats trekt om mensen te vermaken of te ontroeren met allerhande verhalen en liederen.
Daarnaast verschijnen er lange, sentimentele gedichten - meestal Bardendichtung genoemd - waarin schrijvers lange en emotievolle epische verhalen schrijven over helden in lang vervlogen tijden uit een geromantiseerd nationaal verleden. Vooral in de korte periode die nu wordt gekenmerkt als Sturm und Drang verschijnen er enkele van dit soort werken. De bard wordt zo tot een nationaal symbool van moed, kracht en hoop. (Zie: Ossian.)

  Gedrukte verhalen

 

 
En nu?

  Het aantal schrijvers neemt na de uitvinding van de boekdrukkunst snel toe en daarmee is de lijn vanaf de eerste bard getrokken naar die van tegenwoordig: het is aan de historisch letterkundige om al die oude verhalen, liederen, gedichten en andere literaire uitingen te bewaren, te plaatsen in de context en te bestuderen op vorm, inhoud en receptie. Daarnaast is het goed om uit te zoeken wat mensen uit alle tijden hebben gevonden van al dit materiaal.

Zoals de bard de identiteit van zijn volk zou moeten waarborgen, moet de historisch letterkundige dat ook. Het klinkt groots, maar zo is het eigenlijk wel. Het blijkt een verschijnsel van alle tijden dat mensen behoefte hebben aan een goed verhaal...

 

   

 
             

Fulco de Minstreel

C.Joh.Kieviet (onder andere de bedenker van Dik Trom) heeft verschillende historische jeugdromans geschreven. Dit is een van zijn meest populaire.

Lees de integrale versie op dbnl.

 

 

William Shakespeare

Hij wordt nog steeds 'The Bard' genoemd - met hoofdletters.

 

 

Troubadours

Franstalige site met een grote lijst van troubadours van wie de naam nog bekend is.

 

Les Fabulous Trobadors

In de Pays d'Oc (Occitanië) in Frankrijk bestaat nog een groep dit in het Occitaans de oude traditie van de troubadours levend houdt. Compleet met battles!

 
     


             

Tapijt van Bayeux

Klik hier voor een volledige digitale weergave van het beroemde tapijt van Bayeux; een soort Middeleeuws stripverhaal van de invasie van Engeland van Willem de Veroveraar en de noormannen.

 

Hendrik van Veldeke

Zowel Duitsers als Nederlanders zien deze schrijver/dichter als de stamvader van hun taal en letterkunde. Dit alleen al geeft weer hoe bijzonder deze man geweest moet zijn.

 

Beverley Minster

De kathedraal van Beverley (Oost-Yorkshire in Groot-Brittannië) is opgesierd met allerhande afbeeldingen van minstrelen. Misschien hadden wij zonder deze sculpturen wel nooit geweten hoe die er uit hadden gezien!

 

 

Een leuke televisieuitzending over de minstreel komt uit de reeks Medieval Lives van Terry Jones (onder meer van Monty Python). Zien!

 

 

Over de bard in het rollenspel Dungeons & Dragons

 

 
Meer lezen:
Günther und Irmgard Schweikle (her.), Metzler Literatur Lexikon. Stuttgart 1984. 38, 396-397 (een goed begin)
Gero von Wilpert, Sachwörterbuch der Literatur. Stuttgart 1984. 53-55 en 648.

Een goede inleiding is verder:
Terry Jones & Alan Ereira, Medieval Lives. Londen 2003.